Duurzame palmolie biedt beslist geen oplossing tegen verwoesting

Met de kreet "Palmolie is niet de grote boosdoener" steekt auteur Frans Claassen van de belangenvereniging voor oliën zijn kop wel héél diep in het zand. Iedereen die wel eens over Indonesië heeft gevlogen, is geschokt zodra het besef komt wát die rijen en rijen kaarsrecht groen zijn die urenlang door het vliegtuigraam te zien waren: palmolieplantages. Groene woestijn waar eerst oerwoud stond, tijgers leefden, orang oetans en mensen die al een bestaan hadden voor ze van hun land werden verdreven.

OPINIE (verschenen in Trouw op 12 oktober 2017). Dit artikel is een reactie op een artikel in Trouw op 6 oktober.

Negen miljoen hectare aan palmolieplantages kent Indonesië nu al, het overgrote deel in handen van multinationals. Zij exporteren hun palmolie onder meer naar Europa, de derde grote palmolieafnemer ter wereld. De Rotterdamse haven is de grootste palmoliehaven van Europa. Van het grootste deel van die palmolie wordt geen voedsel maar direct biodiesel gemaakt, in steeds grotere hoeveelheden. Door Europees beleid, steeg het aandeel palmolie dat voor biodiesel wordt gebruikt in vijf jaar tijd van 8 naar 46 procent.

Door die snel groeiende vraag, steeg de productie van palmolie in Indonesië de afgelopen vijf jaar met maar liefst 36 procent. Kan die enorme stijging van vraag en productie duurzaam worden opgevangen? Het antwoord is een luid en duidelijk, nee. Terwijl de sector nog probeert met het duurzaamheidsinitiatief RSPO een klein deel van de markt de goede kant op te bewegen, vreten nieuwe palmolieplantages grote stukken oerwoud weg. Elke dag weer wordt er op grote schaal regenwoud voor gekapt. Legaal, dan wel illegaal.

Twee weken geleden stond ik op zo'n plantage. Het bedrijf – nota bene lid van de RSPO - had geen geldige vergunning maar ging gestaag door met het kappen van het woud, ’s nachts buiten ieders zicht. De lokale en regionale autoriteiten durven het machtige palmoliebedrijf niet meer aan te pakken. Al zijn de orang oetans en tijgers er verdreven, de oorspronkelijke bewoners  – trotse botenbouwers – vechten nog een verbeten strijd voor het behoud van hun bos. Behalve hout voor hun boten haalden ze er drinkwater. Nu is dat bruin en ondrinkbaar en ook de vis uit de rivier is verdwenen.

Verduurzaming van de palmoliesector is een mooi streven, en moet ook zeker gebeuren. Maar de aanleg van nog meer plantages hoort daar niet bij. Ook de kleine palmolieboeren zullen ons dankbaar zijn voor een stop op de groei van de vraag naar palmolie. Nu worden ze nog opgekocht of uit de markt gedrukt door multinationals met diepe zakken en connecties. Een uitbreidingsstop geeft de Indonesische overheid de tijd om orde op zaken te stellen, en de wijdverbreide corruptie en wanpraktijken in de Indonesische palmoliesector aan te pakken.

Europa en Nederland zijn als eerste aan zet om de vraag naar palmolie tot staan te brengen. Dit najaar nemen we een besluit over het verdere gebruik van palmolie, soja en ander voedsel voor de productie van biodiesel. Het idee om voedsel te verbranden in onze tank is sowieso absurd. Maar het blijkt ook nog eens drie keer zo slecht voor het klimaat als het opstoken van fossiele diesel. Het stoppen met het opbranden van palmolie en ander voedsel in onze tank is dan ook de snelste én de eenvoudigste maatregel die Nederland en Europa kunnen nemen om drie vliegen in één klap te slaan. Het helpt het overgebleven regenwoud en haar bewoners, het klimaat knapt er van op én het helpt op termijn om de palmoliesector daadwérkelijk te verduurzamen.

Loading...