Handel zonder Grenzen award

Handel zonder Grenzen award – Profiel Shell

31 mei 2017

Shell zegt dat het zich houdt aan de mensenrechten zoals vastgelegd in de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, de kernverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Over duurzaamheid zegt Shell dat dit begint met het runnen van een veilig, efficiënt, verantwoordelijk en winstgevend bedrijf. Bovendien meent Shell bij te dragen aan een meer duurzame toekomst qua energie. Shell zegt in goed overleg bij te dragen aan het welzijn van lokale gemeenschappen.

De acties van Shell laten echter een heel ander beeld zien. Een greep uit de lijst van de Environmental Justice Atlas: wijdverbreide en grootschalige olievervuiling in Nigeria; ontbossing en schending van mensenrechten van inheemse groepen in Ecuador; water- en bodemvervuiling met het bestrijdingsmiddel DBCP op bananenplantages in Ecuador; vervuiling van rivierwater door een olielek in Bolivia; milieuschade en schending van rechten van inheemse bevolking in Sakhalin (Rusland).

Ook is Shell betrokken bij teerzandwinning in Canada en wil het schaliegas winnen in Zuid-Afrika, Argentinië, Zweden, Egypte en Tunesië, tot grote ontevredenheid van de lokale bevolking. Shell heeft een vergunning om te boren naar olie in het Noordpoolgebied, waar voor schade aan het milieu, problemen met bedreigde diersoorten en bedreiging van de traditionele leefwijze en bestaanszekerheid van de lokale Inuït-bevolking wordt gevreesd. Door de lage olieprijzen was de exploratie tijdelijk gestaakt, maar krijgt dit voorjaar vermoedelijk alweer een impuls. In Nigeria leidt milieuschade als gevolg van de oliewinning tot verarming, conflicten en mensenrechtenschending.

Shell duurzaam?

Shell is niet alleen actief in olie- en gaswinning, maar investeert ook in duurzame energie. Shell houdt er wel vreemde ideeën op na over wat ‘duurzaam’ is. In 2008 werd Shell veroordeeld voor ‘greenwashing’ door de Amerikaanse Advertising Standards Association, omdat het bedrijf zijn teerzandwinning en de bouw van een enorme olieraffinaderij had aangeprezen als duurzame oplossingen voor energievoorziening in de toekomst.

In februari onthulde De Correspondent dat Shell al dertig jaar geleden waarschuwde voor klimaatverandering, maar tegelijkertijd ook al dertig jaar klimaatbeleid tegenwerkt. Zo lobbyde Shell er hard voor om Europese doelstellingen voor CO2-reductie niet rechtstreeks te linken aan meer investeringen in duurzame energiebronnen. Via de European Petroleum Industry Association lobbyde Shell tegen de Europese Duurzaamheidscriteria. Shell lobbyt in Brussel in het kader van het tegengaan van klimaatverandering ook voor CO2-opslag – een methode die wordt bekritiseerd omdat het de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen kan laten voortduren en de noodzakelijke omslag naar duurzame energie kan vertragen.

Hoewel Shell zich publiekelijk steeds duidelijker uitspreekt voor de noodzaak van een energieomslag, laat de lobbypraktijk van Shell iets anders zien. In 2015 publiceerde de Amerikanse Union of Concerned Scientists The Climate Deception Dossiers, een rapport dat stelt dat de olie-industrie al lang op de hoogte was van de gevaren van klimaatverandering en bewust heeft gewerkt aan strategieën om het publiek hierover te misleiden. Volgens de Londense NGO Influence Map heeft Shell tussen 2009 en 2015 ruim 22 miljoen dollar rechtstreeks uitgegeven aan het tegenwerken van klimaatbeleid.

Belastingontwijking

Ondanks veel mooie woorden over hoe Shell helpt belastinginkomsten voor overheden te genereren, accepteerde het wel een belastingvrijstelling in Nigeria die twee keer zo groot is als het gezondheidsbudget van het land. Nota bene bovenop de standaard belastingvrijstelling van vijf jaar die dat land aan buitenlandse investeerders biedt. Daardoor zou Shell in Nigeria pas in 2012 daadwerkelijk belasting zijn gaan betalen. Ook is Shell voor 364 miljoen euro aangeklaagd door Nigeria vanwege het illegaal verschepen van olie uit het land, waardoor Nigeria veel geld misliep.

In 2014 berichtte SOMO over de acht dochterbedrijven die Shell erop nahoudt in Zwitserland. Deze vestigingen zouden vooral dienen voor het ontwijken van belasting. Shell heeft bovendien 85 dochtervennootschappen in belastingparadijzen waar geen winstbelasting is verschuldigd, zoals Bermuda, de Kaaimaneilanden en de Bahama’s. Die vestigingen worden gebruikt om de belasting voor Shell-werkmaatschappijen over de hele wereld te drukken.

Shell maakt als Nederlands-Brits bedrijf ook handig gebruik van het gunstige Nederlandse fiscale klimaat om de belastingafdrachten in bijv. het Verenigd Koninkrijk zo laag mogelijk te houden. In 2014 betaalde Shell helemaal geen belasting in het Verenigd Koninkrijk. Dit is niet illegaal, maar wel onethisch.

Claims tegen Nicaragua, Nigeria en de Filipijnen

Er zijn drie ISDS-zaken bekend die zijn aangespannen door Shell, allemaal op basis van overeenkomsten in investeringsverdragen die Nederland met andere landen heeft.

Shell versus Nicaragua (niet doorgezet)

De eerste zaak, tegen Nicaragua, werd in 2006 geschikt. Shell werd in Nicaragua schuldig bevonden aan het veroorzaken van gezondheidsproblemen die voortkwamen uit pesticides, gebruikt bij de teelt van bananen, geleverd door de Shell Oil Company. De schadeclaim die ze hierbij samen met de Dow Chemical Company, Standard Fruit en de Dole Food Corporation opgelegd kregen bedroeg 489 miljoen dollar. Shell verzette zich tegen dit vonnis. De Nicaraguaanse regering legde vervolgens namens de gedupeerde arbeiders beslag op het logo en handelsmerk van Shell Brands International en Shell Nicaragua S.A..

Shell Brands International en Shell Nicaragua S.A. dienden vervolgens onder het Nederlandse bilaterale investeringsverdrag met Nicaragua een ISDS claim in. Volgens hen moest de Nicaraguaanse regering niet bij hen zijn, maar bij Shell Oil US – een andere rechtspersoon. De Nicaraguaanse beslissing zou niet afdwingbaar zijn omdat de rechtbank geen jurisdictie over hen had. In 2006 werd de beslaglegging van de handelsmerken in hoger beroep teruggedraaid. Shell was tevreden en in 2007 werd de ISDS claim niet doorgezet.

De zaak geeft goed aan hoe een bedrijf de verantwoordelijkheid kan afschuiven naar andere bedrijfsonderdelen om aansprakelijkheid te ontlopen. In 2012 dienden 40 plantagewerkers opnieuw een claim in tegen bananenproducent Dole Food, Dow en Shell rondom het gebruik van DBCP.

Shell vs. Nigeria (niet doorgezet)

In 2007 spande Shell Nigeria Ultra Deep een ISDS arbitragezaak aan tegen Nigeria. Nigeria zou Shell hebben gedwongen zijn belang in een ultra-diepe offshore exploratievergunning af te staan aan een Nigeriaans bedrijf.

Deze zaak is in feite één groot corruptieschandaal. Het Nigeriaanse bedrijf Malabu Oil & Gas verkreeg in 1998 de exploitatierechten over het olieveld OPL 245 – het grootste olieveld van Afrika – voor het lachwekkend lage bedrag van 20 miljoen dollar. Malabu betrok Shell als partner voor een instapsom van 18 miljoen dollar, plus 147 miljoen voor 40 procent van de licentie.

Later bleek dat Malabu het bedrijf was van de toenmalige Nigeriaanse minister van olie, Etete. Toen aan het licht kwam dat de licentie voor OPL245 op corrupte wijze was verkregen, werd de licentie van Malabu en Shell ingetrokken.

In 2002 mocht er weer op het veld geboden worden, waarbij Shell de vergunning kreeg voor 210 miljoen dollar: nog steeds een goede prijs voor zo’n waardevol olieveld. Malabu bleef met lege handen en begon Shell zwart te maken. Shell zou voorkennis hebben gehad over de hoeveelheid olie die aanwezig was en het biedproces zou dus oneerlijk zijn geweest. Na druk vanuit het parlement zou Malabu Oil & Gas de concessie opnieuw in handen krijgen als ze binnen 12 maanden de vereiste 210 miljoen dollar konden betalen. Shell probeerde intussen andere bedrijven ervan te weerhouden om te investeren en diende een ISDS-claim in.

In 2011 blijkt OPL245 ineens te zijn overgenomen door het Italiaanse ENI en door Shell. Met deze deal was 1,3 miljard dollar gemoeid. Ongeveer een maand na deze deal trok Shell de ISDS-claim tegen Nigeria in. Het heeft er alle schijn van dat deze claim is gebruikt om de druk op de overheid op te voeren om de licentie in handen te krijgen.

Na een strafrechtelijk onderzoek worden ENI en Shell ervan verdacht dat zij de concessie door omkoping hebben verkregen: een deel van het geld zou via een omweg weer bij de corrupte minister Etete zijn terechtgekomen. Shell ontkent de beschuldigingen: het geld zou netjes aan de Nigeriaanse overheid zijn betaald. Malabu zou, hoewel eigenaar van het veld, niets hebben ontvangen. Shell en ENI worden ervan beschuldigd dat er met hun medeweten via een schimmige constructie wel degelijk geld naar Malabu en Etete zou zijn gevloeid. Nigeria zou alleen de oorspronkelijke 210 miljoen dollar hebben ontvangen. De rest van het bedrag zou zijn verdwenen in de zakken van Etete. Er is inmiddels van ongeveer 750.000 dollar achterhaald dat het is weggevloeid aan corrupte betalingen. Shell zou zich met ENI willens en wetens aan corruptie hebben schuldig gemaakt omdat het OPL245 met zijn enorme oliereserves van ca. 9 miljard vaten per se niet wilde verliezen.

Voor details van de zaak, zie: https://www.globalwitness.org/en-gb/campaigns/oil-gas-and-mining/shell-knew/

Shell vs. de Filipijnen (onder behandeling)

De claim die Shell Philippines in 2016 heeft ingediend tegen de Filipijnen betreft een belastinggeschil. Shell Philippines Exploration is een Nederlandse B.V. en de zaak wordt dan ook gevoerd onder de Nederlandse bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomst met de Filipijnen.

De belastingautoriteiten van de Filipijnen waren na een onderzoek van mening dat het Malampaya-consortium waarin Shell participeert de overheid nog achterstallige belasting schuldig is over een offshore gaswinningsproject. Volgens Shell, daarin gesteund door het Filipijnse ministerie van energie, is er een regeling getroffen waarbij het consortium rechtstreeks belasting betaalt aan de belastingdienst, maar dit bedrag in mindering kan brengen op de 60 procent inkomsten die overheid tussen 2002 en 2009 uit het project ontving. De Filipijnse Rekenkamer gaat echter niet akkoord met deze manier van boekhouden en zegt dat er over deze periode nog 1,2 miljoen belasting betaald moet worden. Shell spande in september 2015 ook al een arbitragezaak aan over dit geschil bij het Singapore International Arbitration Centre.

In perspectief: 1,2 miljard dollar is twee keer zo veel als de 60 miljoen die in de Filipijnse begroting is uitgetrokken voor verbeteringen in het onderwijs, waaronder de salarissen voor 53.831 nieuwe leraren en de bouw van 47.000 extra klaslokalen.