Handel zonder Grenzen award

Handel zonder Grenzen award – Profiel Glencore

31 mei 2017

Glencore geldt als een van de grootste mijnbouwbedrijven ter wereld. Het bedrijf zegt mensenrechten hoog in het vaandel te hebben staan, maar wordt door maatschappelijke organisaties wereldwijd in verband gebracht met een scala aan schadelijke bedrijfspraktijken. Dit varieert van ernstige milieuvervuiling tot het schenden van arbeidsrechten en het ontwijken van belasting.

In 2015 werd het bedrijf genomineerd voor de Public Eye Life-Time Award voor het meest onverantwoordelijke bedrijf ter wereld. Glencore eindigde als tweede, achter Chevron, dat deze ‘prijs’ in de wacht sleepte. Het bedrijf toonde in Colombia weinig respect voor vakbondsvrijheid: stakingen werden met geweld gebroken en ‘dwarsliggende’ werknemers op staande voet ontslagen. Ook werd Glencore ervan beschuldigd in Colombia wel heel erg de grenzen van de wet op te zoeken.

Mensenrechtenschendingen

Rondom het Tampakan koper- en goudwinningsgebied op de Filippijnen zouden 5.000 inheemse bewoners gedwongen worden om te verhuizen. Dit leidde tot protesten onder de bevolking. Waarbij (para)militairen werden ingezet om de omwonenden eronder te houden – iets wat het bedrijf ontkent. In augustus 2014 werd Glencore voor de VN Mensenrechtenraad gedaagd om zich te verantwoorden voor mensenrechtenschendingen in het Tampakan-project, waaronder het vermoorden van activisten, willekeurige arrestaties, het schenden van de rechten van inheemse bevolkingsgroepen. In 2015 heeft Glencore Xstrata zich teruggetrokken uit Tampakan nog voor de exploratiefase was voltooid.

In Zuid-Afrika kwam de Marikana-mijn - waarvan Glencore een aandeel van 25% had - negatief in het nieuws doordat een staking met geweld werd gebroken door politie en beveiligingspersoneel van de mijn: 34 mijnwerkers kwamen om het leven, 78 mensen raakten gewond. De mijnwerkers voerden al maanden actie voor een leefbaar minimumloon. Ook bij de Marikana-mijn is al jaren sprake van milieu- en watervervuiling. Glencore heeft zich in 2015 teruggetrokken uit Lonmin.

In de Colombiaanse regio’s La Guajira and César waar Glencore/Prodeco’s mijnen zich bevinden is er sprake van terugkerend geweld tegen vakbondsmensen en activisten die zich kritisch uitlaten over de impact van de mijnbouw in deze gebieden. Paramilitairen, die claimen de belangen van mijnbouwbedrijven te verdedigen, maken zich schuldig aan intimidatie, bedreigingen, moord en verdrijven de lokale bevolking met geweld van hun land. In een onderzoek van PAX verklaarden daders en getuigen onder ede dat de mijnbouwbedrijven Drummond en Prodeco tussen 1996 en 2006 de paramilitairen in de mijnbouwregio Cesar hebben gesteund met geld en strategische informatie.

In deze periode zijn in Cesar tenminste 3.100 mensen vermoord en 55.000 boeren van hun land verjaagd. De slachtoffers en hun nabestaanden hebben nooit genoegdoening of compensatie ontvangen. Kolen- en energiebedrijven, zo schrijft Pax, hebben in de tussentijd wel grof geld verdiend met het delven, vervoeren en verbranden van deze conflictgrondstof. Glencore/Prodeco zou zich overigens inmiddels hebben gedistantieerd van deze praktijken.

Bloedkolen’ in Nederland

Colombia is een belangrijke leverancier van steenkolen aan Europa. Vier Nederlandse energiebedrijven - Essent, Nuon, E.ON en Engie – behoren tot de grote afnemers van steenkool van Glencore. E.ON, RWE/Essent en Vattenfall/Nuon maken deel uit van de in 2014 met de Nederlandse overheid gesloten steenkolenovereenkomst die tot doel heeft de sociale en milieuomstandigheden in de steenkolenmijnen te verbeteren.

Tot een importstop is het nog niet gekomen. Vattenfal/Nuon heeft inmiddels in Colombia ter plaatse onderzoek gedaan, maar of het bedrijf ook actief bloedkolen gaat weren is nog niet duidelijk.

Amsterdam, Rotterdam, Vlissingen en de Eemshaven zijn belangrijke havens voor de Europese steenkooloverslag.1 In 2014 was ruim een kwart van de in Nederland geïmporteerde steenkool afkomstig uit Colombia. De precieze herkomst van de kolen is vaak moeilijk te achterhalen: de productieketens zijn weinig transparant.

Belastingontwijking

Hoewel het bedrijf stelt actief deel te nemen aan het Extractive Industries Transparency Initiative (EITI), dat is gericht op het bevorderen van transparantie in belasting en andere afdrachten aan de bevoegde autoriteiten, wordt Glencore toch met regelmaat in verband gebracht met belastingontwijking, bijvoorbeeld in Congo en het straatarme Zambia. Door dit soort belastingontwijking lopen arme landen jaarlijks naar schatting 200 miljard USD aan inkomsten mis – meer dan de ontwikkelingshulp die ze jaarlijks van alle rijke landen samen ontvangen.

Glencore heeft in Colombia voor zichzelf een voorkeursbehandeling weten af te dwingen: slechts 22% van de opbrengsten van de in Colombia gewonnen delfstoffen komt bij de Colombiaanse staat terecht, 78% blijft voor Glencore zelf. In Australië wist Glencore via slimme constructies zijn belastingafdrachten ook tot praktisch nul te reduceren.

Anti-klimaatlobby

In 2015 schreven 25 grote institutionele investeerders zoals pensioenfondsen een brief aan verschillende bedrijven, waaronder Glencore, om hen op te roepen zich terug te trekken uit Brusselse lobbygroepen die lobbyen voor het afzwakken van klimaatdoelstellingen. De bedrijven wordt verweten publiekelijk een klimaatvriendelijk gezicht te laten zien, terwijl ze achter de schermen betrokken zijn bij een krachtige lobby voor minder strenge klimaatregels.

Milieuschade

In 2008 kreeg Glencore de Public Eye Jury Award toegekend vanwege enorme milieuvervuiling in Colombia, die grote gezondheidsproblemen veroorzaakte bij de lokale bevolking. Ook in Peru, Bolivia en Argentinië worden de activiteiten van Glencore in verband gebracht met ernstige vervuiling van water en bodem met zware metalen.

In Congo wint Glencore-Katanga Mining Ltd. op grote schaal kobalt. Ook hier is sprake van forse water- en milieuvervuiling. Met de koper- en kobaltwinning in Zambia zorgt het bedrijf wederom voor milieuschade, onder meer met zwaveldioxide. Het Tampakan koper- en goudwinningsproject op de Filipijnen dreigt gepaard te gaan met grootschalige watervervuiling. Glencore bezat tot 2015 via Xstrata een aandeel van 62,5% in het project.

Rechtszaken tegen Bolivia en Colombia

In 2016 is Glencore twee internationale investeringsclaims begonnen, één tegen Bolivia en één tegen Colombia.

De claim tegen Bolivia gaat over de onteigening van twee smelterijen en een tin- en een zinkmijn door de Boliviaanse overheid.2 Een claimbedrag is nog niet bekend.3 De Boliviaanse overheid zou tot de onteigening zijn overgegaan omdat de concessies onder schimmige omstandigheden aan Glencore zouden zijn toegekend.4

Glencore heeft een ISDS-zaak aangespannen tegen Colombia omdat de staat zou hebben getracht delen in te trekken van een gewijzigde concessieovereenkomst die in 2010 was ondertekend om de Calenturitas- en La Jagua-mijnen uit te breiden en hogere afdrachten (royalties) eist van het bedrijf dan oorspronkelijk overeengekomen.56 Glencore claimt dat Colombia nu ervoor zorgt dat de uitbreiding van de mijn niet meer mogelijk is. De claim zou ettelijke miljarden kunnen gaan bedragen.7 Glencore zou via de ISDS-zaak onder een opgelegde boete van 60 miljoen uit willen komen, opgelegd omdat het bedrijf in gebreke is gebleven in zijn afdrachten.8

In beide zaken is nog geen uitspraak.

Prodeco’s verweer

Op de website van Glencore stelt het bedrijf dat Prodeco maandelijks in dialoog gaat met het leger om mensenrechtenkwesties te bespreken, dat het participeert in het Colombiaanse Nationaal Plan voor Mensenrechten en Private Bedrijven en dat het werkt aan het versterken van zijn mensenrechtenprogramma in samenwerking met de VN en een Colombiaanse mensenrechten-NGO.9

Een boycot van Colombiaanse kolen zou volgens het bedrijf heel schadelijk zijn voor de werkgelegenheid, vooral in de provincie César, waar 47% van het BBP afkomstig is van de mijnbouw. Ook wijst Prodeco erop dat bij een boycot de belastinginkomsten voor Colombia sterk zouden teruglopen, ten koste van infrastructurele en sociale projecten.10 Dat een boycot de winstgevendheid van het bedrijf zou schaden, wordt door Prodeco niet genoemd.

2 Bron: UNCTAD.